Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillende plaatsen en beroepen zeer uiteenloopend te zijn1). Op 15 Februari 1902 namen 66,951 leden aan de telling deel, van wie er 2140 of 3.1 % werkloos waren. De gemiddelde werkloosheid was 46 dagen. Op 15 Mei 1902 deden 52,640 leden aan de telling mee, van wie er 656 werkloos waren, of 1.06 %. Do werkloosheid duurde toen in doorsnede 57 dagen.

De Gewerkschaften hebben in den winter van 1892/1893 in verschillende groote steden van Duitschland de werkloozen geteld door ze te bezoeken en kaarten af te geven. Dezelfde personen, die deze vraagkaarten brachten, haalden ze ook weer af. Dit gaf in vele steden goede resultaten, in andere echter minder. Schikowskymeent dat deze telling totaal mislukt is, wegens de weinige gelijkvormigheid der tellingen en omdat er te weinig arbeiders aan meegedaan hebben.

In vele steden worden van gemeentewege tellingen van de werkloozen gehouden; in vele ééns in 't jaar, in andere elke maand of vier maal in 't jaar. Een zuiver beeld geven deze tellingen niet, omdat de seizoenarbeiders niet apart gehouden worden. In kleinere steden hebben deze dikwijls twee beroepen.

Ook van rijkswege heeft men in Duitschland gegevens over de werkloozen verzameld. Men heeft daartoe gebruik gemaakt én van de beroepstelling, den 14en Juni 1895 gehouden, én van de volkstelling van 2 December 1895. Verschillende vragen werden gesteld: a. of men werk had of niet; b. zoo niet, hoeveel dagen men werkloos was; c. of men buiten werk was wegens voorbijgaande werk-

1) Zie Pociale Praxis van 9 Januari 1902 (No. 15); en de „Arbeitsiiiarkt" van Jastrow van 1 October 1902 (No. 7).

2) Ueber Arbeitslosigkeit und Arbeitslosen-Statistiek, 1894.

9

Sluiten