Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meroten kunnen noodzaken een verplichte of een vrijwillige kas op te richten, of zij kon aan gemeenten het recht geven een verplichte verzekering in te voeren, of zij kon verenigingen toelaten, mits aan zekere eischen voldoende. Wil de staat zelf de verzekering op zich nemen, hetzij een vrijwillige, hetzij een verplichte, dan zou hij een algemeene kas kunnen stichten, een centraal orgaan, of hij zou op verschillende plaatsen kassen kunnen oprichten.

Wanneer wij de staats- en gemeentekassen tegenover elkaar stellen, dan valt de vergelijking ten gunste van laatstgenoemden uit. Eén omstandigheid is in het voordeel van de staatskassen, n.1. dat zij beter in staat zijn de risico's beroepsgewijze te verdeelen, wegens het groote aantal der verzekerden. In de gemeenten, vooral in de kleinere, zijn de arbeiders te weinig talrijk, vooral de vakarbeiders, om aparte beroepsgroepen te kunnen vormen.

Maar daartegenover biedt de gemeente voordeden, die de staat onmogelijk kan geven, en die toch bij deze verzekering van zoo groot belang zijn.

Wat wij reeds zeiden van de vrijwillige verzekering in het algemeen, nl. dat zoovelen zouden wegblijven, geldt in 't bijzonder, zoo er een regeling van staatswege zou zijn. Het groote gros beseft weinig van het nut van een dergelijke verzekering; en daarom moet ze, wil ze succes hebben, uitgaan van de gemeente (of van een particuliere organisatie), waar mannen van invloed en juiste bekendheid met de plaatselijke toestanden, door opwekking iets tot stand kunnen brengen.

\ erder zijn de verzekerden in de gemeente zooveel beter te overzien dan in het rijk, een voordeel, dat, hoewel het afneemt naarmate de gemeente grooter is, toch blijft bestaan. Daardoor ook kan de gemeente bij het bepalen van premie

Sluiten