Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten aanzien van liet wezen der armoede was de ontwikkeling deze: de stelling: armoede is schande, die lang bewust of onbewust door den wetgever werd aanvaard en die, schoon toen niet uitgesproken, in 1854 — het jaar waarin onze armenwet tot stand kwam — bij velen nog aan hun overtuiging aangaande armenzorg ten grondslag lag, is thans losgelaten om vermoedelijk niet weder te worden omhelsd, althans niet, zoolang de ordening der maatschappij in hoofdzaak blijft gelijk thans.

De zoo hardvochtig klinkende bewering, dat armoede schande is, was in het wezen der zaak niet anders dan een logische deductie uit de stellingen der oud-liberale economische school. De inrichting der maatschappij, waarbij de voortbrenging en verdeeling der goederen aan de werking van het eigenbelang wordt overgelaten, is niet alleen de best denkbare inrichting, zij is ook rechtvaardig, zij geeft loon naar werken; ziedaar de, trouwens zelden in al haar volheid aanvaarde, grondstelling der oudere economie. Wie onderging in den strijd des levens, had het zichzelf te wijten. Heden ten dage zal stellig niemand dit meer onderschrijven. Zij, die de bestaande maatschappelijke ordening verdedigen, doen dit op grond dat een betere voorshands nog niet gevonden is; doch allen geven toe, dat er in de werking van liet eigenbelang leemten zijn; dat de maatschappij, waar zij verheft of neer doet tuimelen, vaak nukkig te werk gaat en allerminst een toonbeeld van rechtvaardigheid is. „Wij moeten loeren inzien", aldus Mr. Piekson in zijn Leerboek der Staathuishoudkunde, ') „dat de zoogenaamde philanthropie voor een zeer groot deel niets anders is, dan noodwendige, volstrekt onmisbare aanvulling en verbetering van het werk der maatschappelijke machine".

') 2P druk, dl. II, l>lz. I IS.

Sluiten