Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen hen, die den staat buiten de liefdadigheid willen houden! Ook al ware het icenschelijk, het schijnt in ieder geval onmogelijk!

De wet van 1854 is mislukt. Ten betooge hiervan moet ik allereerst een beknopt overzicht geven van de beginselen, waarvan deze wet uitgaat, om daarna aan de hand der statistiek na te gaan ot' het heoogde doel is bereikt.

„De ondersteuning der armen wordt, behoudens de verdere bepalingen dezer afdeeling, overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid". In deze bepaling (art. 20), vóóraan geplaatst in het hoofdstuk, dat van de ondersteuning der armen handelt, ligt het hoofdbeginsel der wet, zoo;ils het voorloopig verslag over het ontwerp-VAN Reenen nog uitdrukkelijk constateerde. ')

In tweeërlei opzicht werd dit hoofdbeginsel in de wet uitgewerkt: het toezicht van den staat op de kerkelijke en particuliere armenzorg werd tot den geringst denkbaren omvang beperkt en de eigene werkzaamheid der burgerlijke besturen op het gebied van de armenzorg gebonden aan de voorwaarde, dat de armen, die zij zouden willen ondersteunen, dien onderstand niet van kerkelijke of bizondere instellingen van weldadigheid kunnen ontvangen, terwijl daarenboven, als aan deze voorwaarde is voldaan, nog slechts „bij volstrekte onvermijdelijkheid" eenige hulp zou mogen worden verleend (art. "21 der wet).

Een waarborg dat geen behoeftige de noodigc ondersteuning zal ontberen, ontbreekt in de wet. Een recht op onderstand wordt den arme niet gegeven. Maar ook zonder

') Bijl. Handd. der 2e Kamer 1853—54, blz. 552.

Sluiten