Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Overgelaten" aan deze instellingen wordt de ondersteuning reeds in dien zin — zooals wij zagen — dat de burgerlijke armbesturen zich er zooveel mogelijk van te onthouden hebben. „Overgelaten" verder ook aldus, dat aan de kerk en de particulieren de vrije hand gelaten wordt.

Duidelijk blijkt de bedoeling van den wetgever eerst, wanneer men de wet vergelijkt met het ontwerp van den minister Thokhecke en vooral wanneer men nagaat de daarover tusschen Regeering en Kamer gewisselde stukken, „liet belang van den Staat vordert", aldus schreef Thorbecke in de memorie van toelichting tot zijn eerste ontwerp, „dat de onderscheiden instellingen van weldadigheid regelmatig werken, tot bereiking van aller doel: de lenigingder armoede, zoover da beschikbare middelen reiken, en op zulke wijze, dat de luiheid en lediggang niet worden gevoed". Maar zulk een regelmatige werking kan moeielijk plaats hebben „zoolang, bij gebrek van doeltreffende wetsbepalingen, de werking dier instellingen uitsluitend afhangt van de inzigten en handelingen van hare menigvuldige afzonderlijke besturen, waarvan het personeel daarenboven gestadig afwisselt".

Om tot deze „regelmatige werking" te geraken, stelde Thorbecke's ontwerp verschillende burgerrechtelijke handelingen van de besturen van alle instellingen, van hoogere goedkeuring afhankelijk; regelde het ontwerp het geval, dat de beheerders zich schuldig maakten aan grove nalatigheid in het beleggen van geldsommen en bepaalde het bij welke diakonie de arme armlastig zou zijn, een soort domicilie van onderstand dus ten aanzien van de kerkelijke instellingen.

Over de wijze van bedeeling hield het ontwerp slechts één voorschrift in (art. 53), dat n.1. onderscheiden moest worden tusschen behoeftigen, die wel en dezulken die niet, of

Sluiten