Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu moge men", voegde de Minister hier woordelijk aan toe, „verschillend denken over de meerdere of mindere doelmatigheid van de wijze, waarop de Kerk dit gewigtig deel hurer roeping vervult, men moge zich zelfs overtuigd houden, dat daarin verbeteringen noodig zijn, — dit alles kan de zaak niet van aard doen veranderen, noch den Staat de bevoegdheid geven de taak der Kerk over te nemen, ot haar te noodzaken, hare inzigten aan de zijne ten offer te brengen; en dat wel te minder, daar uiot de Staat, maar alleen de Kerk invloed kan uitoefenen op het bijeenbrengen der middelen tot kerkelijke armenverzorging, die geheel vrijwillig zijn, en tot het bijdragen van welke de wetgever niemand kan verpligten."

Op dezen grond werd de armenzorg „overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid."

Zou men gelooven, dat er in de 2c Kamer destijds nog loden waren, die hierin de kiem eener burgerlijke armenzorg lazen? Volgens sommige leden behelsde deze bepaling „op zichzelve beschouwd, eene ongepaste opdragt der armenzorg aan de kerkelijke en bijzondere instellingen

van weldadigheid en draagt (zij) met zich de kiem

eener burgerlijke armenverzorging." ')

De tekst der wet zoowel als de geschiedenis duiden aan, dat men aan de kerkelijke en particuliere liefdadigheid de grootst mogelijke vrijheid heeft willen laten. De instellingen, daarvoor werkzaam, zijn — onafhankelijk van haar boven besproken verplichting om aan de burgerlijke besturen desgevraagd op te geven of een arme bij hen onderstand kan krijgen (art. 12) — slechts verplicht tot liet verstrekken van enkele, in art. 10 bepaaldelijk om-

') \oorl. \erslag op art. 20 vau 't ontwerp—van Reenen.

Sluiten