Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staatshulp doen en dus onverdiend aan het strenge régime in het werkhuis worden onderworpen.

Niet algemeen dus; geen „tcorkhotise test" '). Doch ieder, die zich tot het burgerlijk bestuur wendt, hange het gevaar boven het hoofd, dat hij slechts onder voorwaarde van opneming in een werkhuis ondersteund wordt. Toegepast worde dit rógime alleen op de onwaardigen, dezulken, die een harde behandeling verdienen, en van wie het ook goed is, dat zij van hun gezin gescheiden worden.

Zoowel in het door de Nutscommissie geschetste stelsel, als in dat van den minister Goeman Borgesius neemt dan ook het werkhuis een gewichtige plaats in. 2)

Uit het vorenstaande zal wel voldoende zijn gebleken, dat ik niet gaarne den wetgever met forsche hand een scheiding zou willen zien maken tusschen wat de staat en wat de particulier behoort te doen. Do grenzen zijn onzeker en wisselend. Ze in wetsvorm te verstarren zou den natuurlijken groei van het armwezen belemmeren.

Hoever de staat moet gaan, wordt vooral bepaald dooide meerdere of mindere uitgestrektheid van den particulieren arbeid. Slechts van ééne soort van armen zou men de ondersteuning aan de private weldadigheid willen verbieden: de onwaardigen. Deze worden zeker het best

') „Werkhuis-proef", waarmede bedoeld wordt, dat de aanvraag om opneming in liet werkhuis bewijst dat men arm is.

2) Wie in de nieuwere litteratuur, vooral de Ncderlaudsehe, over armenzorg, geen vreemdeling is, zal in het bovenstaande menig denkbeeld terug vinden, dat hij ook elders ontmoette. Ik moest er vau af zien, telkens de meeningen pro en contra te vermelden, doch wil niet, nalaten om, behalve op de reeds in den tekst aangegeveu litteratuur, te wijzen op het zeer mooie artikel vau Mr. R. J. H. Patijn in de „Vragen des Tijds" van 1897 (dl. I, blz. 159) getiteld: „Het werkhuis". Bij het daar aangegeven stelsel vau armenzorg heb ik in hoofdzaak mij aangesloten.

Sluiten