Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch gewenscht is, schatte de particuliere liefdadigheid raad.

Ik geloof inderdaad, dat de wetgever goed zal doen, de grens niet nauwkeuriger aan te geven. De overheid helpe, waar de particulier te kort schiet. Zij helpe alleen armen. Alle andere beperking, aan het burgerlijk armbestuur op te leggen (behalve wellicht deze: „geen verschatting van kapitaal", een beperking waarvan ik de vaagheid onmiddellijk toegeef) vervalle. Dus ook art. 21 der wet met zijn ,volstrekte onvermijdelijkheid". In handen van een goedgezind armbestuur moge deze formule ongevaarlijk zijn, zij kan licht aanleiding zijn, dat noodige hulp te lang uitblijft, of te karig wordt toegemeten. Met art. 21 vervalle ook, om het even of het verbod er thans in ligge of niet, het verbod van dubbele bedeeling. Een minieme ondersteuning door een andere instelling verleend, behoort het burgerlijk bestuur niet geheel te ontheffen van zijn plicht om de hulp te verleenen, die noodig is.

De scheiding blijve overigens aan de praktijk overgelaten. De staat drage zorg (wederom: voor zoover noodig) dat de verschillende takken der armverzorging met elkander verband houden, dat ieder op de hoogte zij van des anders werk, opdut zij elkander aanvullen, niet hetzelfde dubbel doen.

Een bespreking van de beginselen van armenwetgeving kan op tweeërlei wijze worden ingericht.

Men kan de verzorging der verschillende soorten van armen afzonderlijk behandelen en telkens nagaan wat voor iedere soort ten aanzien der instellingen, welke die speciale wijze van armverzorging ten doel hebben, bepaald moet worden; <>f wel: men kan de stof indeelen naaiden aard der instellingen.

Sluiten