Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet moet uitoefenen ten opzigte van het aimbestuur, voor zooveel hot tot haar gebied behoort". ') Hun werking heeft invloed op het welzijn van den Staat. En dus? Een verdediging van de meest uitgestrekte staatsbemoeiing zou met deze zinsnede zich laten rijmen. Doch de Minister trekt geen andere conclusie dan deze: dus moet de Regeering kennis dragen van bestaan, doel en werking dezer instellingen. Quod erat demonstrandum.

Een redeneering, die, al gewaagt zij ook van „regt" en „aanspraak", feitelijk de zaak uit een doelmatigheidsoogpunt beziet.

Maar met het aantoonen dezer inconsequentie heeft men het gevoelen van hen, die elke bemoeiing met de Kerk ongeoorloofd achten niet weerlegd.

Scheiding van Kerk en Staat. Het is moeielijk vol te houden, dat in onze Grondwet het beginsel positief is neergelegd. Dat de Staat zich niet met de inrichting der Kerk bemoeit, is in Hoofdstuk VI noch elders in de Grondwet te lezen. Het bewijs van het tegendeel is wel, dat het recht van collaties) nog in 18G1 door de wet moest worden afgeschaft 3). Slechts kan men, al naar gelang men een meer of minder ruimen zin hecht aan het begrip, twisten over de vraag of de Grondwet voorschriften bevat, die er mede strijden. Zooveel staat althans vast: scheiding in dien zin, dat de Kerk geheel staat buiten en boven de wet, is er ten onzent niet. Artikel 170 der Grondwet4)

') Mem. v. Autw. § 2, zie Haudd. 1853—54, Bijl. blz. 612.

4) Het recht om predikanten te benoemen, door den Staat in sommige gemeenten der Ned. Hervormde Kerk uitgeoefend.

3) Wet van 10 Deeembcr 1801, Stbl. n°. 124.

4) „Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.

Sluiten