Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geenerlei, zooal geen grondwettelijke, clan toch zedelijke beperking aan den wetgever op? Mij dunkt deze: dat een bemoeiing met de Kerk om haarxzelfxieU uitgesloten moet zijn. Jiij tal van regelingen zal de wetgever ook de Kerk raken, haar vrijheid belemmeren. Doch dit moet alleen m het belang dier regeling geschieden. •) Zoo is met het beginsel zeer wel overeen te brengen de bepaling van art. h der gemeentewet, die geestelijken of bedienaars van den godsdienst van liet lidmaatschap van den Raad uitsluit. Doel der bepaling is toch niet de behoorlijke uitoefening van het geestelijk ambt, doch van liet raadslidmaatschap.

Met de armenzorg is het evenzoo. Dit onderwerp regelend zal de wetgever niet kunnen nalaten ook het gebied dei Kerk te betreden. \Y ijl regeling der armenzorg hier doel is, is er geen strijd met het beginsel der scheiding van Kerk en Staat. Thokhecke zeide het bij de algemeene beraadslagingen over de Armenwet „Kerkelijke vereenigingen kunnen, waar ze met een algemeen staatsbelang in aanraking komen, even zoo min als andere vereenigingen, boven de regels zijn, die de Staat voor dat belang heeft te stellen".

Nagegaan zal nu allereerst worden, of de overheid reeds bij de oprichting van armeninstellingen op de een of andere wijze tusschenbeide moet komen (mededeeling van statuten; lijst der instellingen: rechtspersoonlijkheid).

'j /ie Buis, de Grondwet, dl. 11, blz. 4'.I2: „De Staat beperkt dan de vrijheid van de Kerk, niet echter om zich in hare binneulandselie aangelegenheden te mengen, maar om ook in haar midden die groote belangen te waarborgen waarvan hij de natuurlijke verdediger is".

■) Handd. 1853—54, blz. 813.

Sluiten