Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de reden 0111 de instelling boven andere te bevoordeelen vervallen. ')

Men zal ervoor moeten waken, dat derden zich kunnen overtuigen of de eenmaal verleende rechtspersoonlijkheid niet is ingetrokken. De aangewezen weg schijnt wel dat op de lijst der instellingen van weldadigheid, die liet gemeentebestuur naar aanleiding van de ontvangen opga ver van statuten samenstelt, wordt aangeteekend of de instelling al dan niet rechtspersoonlijkheid verkregen heeft. Vervallenverklaring daarvan moet dan door de Regeering aan het betrokken gemeentebestuur medegedeeld en eveneens aangeteekend worden.

Zijn de statuten goedgekeurd, dan moeten ook eventueele wijzigingen daarin aan de Koninklijke goedkeuring worden onderworpen. Aan het verzuim daarvan het vervallen der rechtspersoonlijkheid te verbinden, naar analogie van art. 7 lid der wet, schijnt, wederom met het ooj; op de belangen van derden, voor wie dit onmogelijk ware na te gaan, niet gewenscht. Men bepale alleen, op liet

') Welke gevolgen liet vervallen der rechtspersoonlijkheid op grond van lid ö van art. 7 heeft, staat niet in alle opzichten vast. Prof. Diephuis beweert in Opmerk, en Meded. dl. X, blz. 257 v.v., tegen Mr. Boinsevun, Armenwet, dat het- de stichting niet onbevoegd maakt uit kracht van een uitersten wil te genieten. Hij geeft toch Mr. Bossevain niet toe, dat de instelling, die geen rechtspersoon is, niet bestaat, (art. 946 B. W.).

Terwijl ik mij in deze kwestie geen partij stel, schijnt mij zeer stellig onjuist een andere bewering van Prof. Diephuis ter zelfder plaatse, dat o.l. zoolang de instelling verkeert in den toestand waarin genoemd lid 5 haar plaatst, de bestuurders van een gesticht de voogdij over de daarin opgenomen minderjarigen, hun door art.. 421 R. W. toegekend, kwalijk zullen kunnen uitoefenen. Wat beide zaken met elkander hebben uit te staan, i.s mij uict duidelijk. Slechts zou men kunnen beweren dat liet gesticht geen gesticht van weldadigheid meer is, of liever, dat het gausch niet meer bestaat, maar met deze stelliug is Prof. Diephuis het juist geheel oneens.

Sluiten