Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nietiging was gevraagd van het raadsbesluit, waarbij in verband met deze nieuwe zienswijze van B. en W., een reglement voor de instelling vastgesteld was.

„Zoodra genoemde instellingen (n.1. tot dusver onder letter d van art. 2 gerangschikte) krachtens art. ?, der armenwet, dat uitsluitend cene bepaling van openbare orde, van administratie ven aard bevat, door B. en W. op de lijst zijn gebracht onder die in litt. a van art. 2 dier wet omschreven, is de gemeenteraad" — zoo schreef de minister — „zoolang die rangschikking niet door een rechterlijk vonnis krachteloos is gemaakt, niet slechts bevoegd, maar volgens art. 4 der wet verpligt ')» reglementen te maken op dien grondslag berustende. Tot zoolang hebben de instellingen voor de regeling der handelingen van de administratieve magt het karakter van gemengde, litt. d, verloren en moeten ze, voor zooveel die magt betreft, beheerscht worden door de bepalingen dier wet aangaande de instellingen litt. a".

Eindelijk: do door B. en W. gemaakte indeeling is ook bindend voor de Kroon. Aldus is beslist bij het door den minister Kuyper gecontrasigneerde K. B. van 7 Maart 1902 Stbl. 45, met het ontwerp besluit van den Raad van State en het nader rapport van den Minister aan de Kroon opgenomen in de Staatscourant van 22 Maart 1902.

Tussclien den gemeenteraad van Oirschot en de bestuurders der Hendrik-Verbeek-stichting aldaar was een geschil gerezen over de vraag, door wie de benoeming van de bestuurders der stichting moest geschieden. De Raad was van oordeel dat, daar bij den stichtingsbrief niemand was aangewezen om die benoeming te doen, krachtens

') Ik pursiveer.

Sluiten