Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraag afzonderlijk te worden onderzocht: enkele bronnen van inkomsten (collecten, giften en legaten; vragen om zeer uiteenloopende redenen speciale bepalingen. Maar is in het algemeen toezicht noodig?

Knellend waren de banden, die Thorbecke wilde aanleggen. Wat in de artt. 14—17 der tegenwoordige Armenwet voor de burgerlijke en gemengde instellingen is bepaald, was in zijn ontwerp voor alle instellingen voorgeschreven (artt. 18—21;. Geen wonder dat feller nog dan op andere punten hier het verzet was dat in het voorloopig verslag tegen zijn ontwerp werd aangeteekend. Zelfs velen, die overigens met Thorbecke medegingen, wilden deze voorschriften in dien zin hebben gewijzigd, „dat daarbij minder van stellige verpligtingen dan wel van wenken of raadgevingen de rede zou zijn." ')

De vraag of toezicht noodig is, kan niet voor alle instellingen van weldadigheid gelijkluidend worden beantwoord. De noodzakelijkheid spreekt b. v. veel sterker bij stichtingen, wier beheer is opgedragen aan een bepaalden persoon en zijn erfgenamen of opvolgers in zekere betrekking, dan bij vereenigingen, waarbij de leden allicht eenige controle op de bestuurders zullen uitoefenen.

Allereerst de kerkelijke instellingen. De vrijheidszin van ons volk, nergens duidelijker aan het licht tredend dan waar het godsdienstige aangelegenheden betreft, zou reeds van inmenging moeten doen afzien. Maar bovendien zal hier veelal de kerkelijke overheid zelve een voldoende toezicht houden. Voor verre de talrijkste groep der kerkelijke instellingen, n.1. de diakonieön der Neder-

') Zie het \.\. op ontw. I, artt. 18—21.

Sluiten