Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als regel is ieder slechts bevoegd om voor één geslacht na zijn dood over zijn eigendom te beschikken. Daarom zijn bij art. 1)2(3 B. W. de erfstellingen over de hand verboden, op welken regel de artt. 1020 v. v. slechts eenige eng beperkte uitzonderingen toelaten.

Bij een stichting beslist de erflater, of in het algemeen de stichter, over de bestemming, die aan zijn vermogen of aan een deel daarvan voor eeuwig zal worden gegeven. Met een dergelijk recht kan men alleen vrede heliben als het doel van de stichting werkelijk goed is. Het vele goeds dat met kapitalen, in een stichting gestoken, is verricht, is dan ook vermoedelijk de reden, waarom deze buitengewoon groote bevoegdheid zelfs wel als een heilig en onaantastbaar recht is voorgesteld.

Maar wenschelijk is het dan toch zeker, dat bij iedere stichting eerst geconstateerd worde dat zij inderdaad het algemeen belang dient. Is het, vroeg Prof. Fockema Andheae op den .luristendag van 1 h7o, „niet onmogelijk, ook voor den diepsten denker, om te beslissen of eene behoefte, die zich heden laat gevoelen, zal blijven bestaan in eeuwigheid?" ')

') Handd. der Juristen Vereeniging van 1S73, blz. 22.

In de vergadering der vereeniging van dat jaar was de vraag aan de orde gesteld: „Is liet wenschelijk, onze burgerlijke wetgeving aan te vullen niet bepalingen omtrent stichtingen? zoo ja, naar welke beginselen?"

1'raeadviseurs waren de heeren Mrs. F. A. .1. van" Lanschot en P. H. Fumr. Lu de vergadering werd vooral getwist over dit vraagpunt: „behoort de erkenning eener stichting als rechtspersoon in elk bijzonder geval afhankelijk gesteld te worden van eene beschikking van het staatsgezag volgens algemeene door de wet gestelde voorwaarden?", welke vraag ten slotte met 29 tegen 27 stemmen ontkennend werd beantwoord. Met 44 tegen 9 stemmen maakte de vereeniging echter uit, dat het stellen van voorschriften ter verzekering van een richtig beheer niet aan den stichtingsbrief mocht worden overgelaten.

Sluiten