Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wet van 28 November 1818 Stbl. 40, „houdende bepalingen tot aanwijzing der plaats, waar de behoeftigen in den algemeenen onderstand deelen kunnen" 0ok op de kerkelijke instellingen toepasselijk had verklaard, deze aldus tot restitutie dwingend van door anderen verleenden onderstand, had het haar onmogelijk gemaakt bij de tering met de nering rekening te houden. Het tekortschietende moest wel door de burgerlijke gemeente worden aangevuld, in 1848 tot een totaal bedrag van f 578210,34. >)

Maar ook afgezien van deze bizondere omstandigheden is er groot gevaar in gelegen den gemeenteraden in de subsidieering van kerkelijke instellingen de hand vrij te laten. Machtmisbruik der meerderheid is op dit terrein licht te duchten.

Subsidiën zijn verder een middel om de bepalingen omtrent gemengde instellingen te ontduiken. De wetgever heeft terecht voor die instellingen, die mede met hulp der overheid tot stand komen, voor deze eenigen invloed op het beheer gevindiceerd. Zal de instelling als een bizondere of kerkelijke blijven beschouwd, dan behoort liet subsidie inderdaad slechts een bijdrage in de totale kosten, nimmer een overneming van het geheel of een groot deel dezer kosten te beteekenen.

Ten slotte kan ook het vertrouwen, dat de burgerlijke gemeente het tekort wel zal bijpassen, bij velen den prikkel om aan eene instelling een legaat te vermaken, weg-

') Zie de bijlage van Thorbecke's eerste memorie van toelichting De i\ utseommissie (blz. 295 van het, rapport) vermeldt, dat het over 1847 aan subsidiën uitgekeerd bedrag van ƒ 2.745.774, „bijna uitsluitend" door kerkelijke besturen genoten werd. Dit is niet juist. In de jaren waarover een splitsing bekend is (1853 b.v., zie het verslag over 1854) werd meer dan de helft van het totaal der subsidiën aan burgerlijk? armbesturen

Sluiten