Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijken, wijl zij slechts „naar vermogen" bedeelt en een deficit in haar middelen dus slechts tot inkrimping van haar werkkring moet leiden.

Liet hier het antwoord zich reeds uit den naam afleiden, voor andere vereenigingen, die zich niet tot een bepaald aangewezen soort van bedeeling of tot een bepaalde groep van ingezetenen (b.v. lidmaten van een kerkgenootschap) beperken, wordt door art. (50 lid a een gemeentelijk subsidie evenzeer onmogelijk.

Toch valt de wenschelijkheid van zulk een steun voor vele gevallen niet te ontkennen. Waarom zou de overheid, die een goed ingerichte particuliere organisatie klaar vindt, nog tot de oprichting van een burgerlijk armbestuur over moeten gaan, omdat de middelen van het bestaande genootschap niet voor de geheele gemeente toereikend zijn? Men zal ik drukte hierop reeds met het verleenen van subsidiën zeer voorzichtig moeten zijn. Slechts wanneer de overheid de taak niet beter zou kunnen verrichten dan de te steunen instelling het doet en wanneer daarenboven het vertrouwen bestaat dat het subsidie tot uitbreiding van werkzaamheden, niet tot inkrimping der andere middelen voeren zal — slechts dan is een subsidie uit de gemeentekas gewettigd. Maar dat deze eischen niet veronachtzaamd zullen worden, daarvoor schijnt de voorwaarde van goedkeuring door Gedeputeerde Staten voldoenden waarborg op te leveren.

Art. 148 der Gemeentewet eischt de goedkeuring van den Raad op de begrooting en rekening der „godshuizen en andere instellingen van weldadigheid, die uit de gemeentekas onderstand genieten."

De bepaling, dat de begrooting goedgekeurd moet worden,

Sluiten