Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij gelden inhouden (4°), terwijl eindelijk de autoriseerende plaatselijke en provinciale besturen verdere maatregelen kunnen voorschrijven ter voorkoming van misbruiken (5"). Overtreding van dit Kon. Besl. is. sinds de wet van f> Maart 1818 iïtbl. 12 vervallen is, niet strafbaar.

c. Collecten door anderen dan instellingen van weldadigheid en niet strekkende „ter leeniging van rampen en ongelukken." Zooals de Hooge Raad aannam bij arrest van 4 Mei 1885 (Gem. stem 1704) en ook door de redactie der Gemeentestem (in haar nft. 2634) is betoogd, vallen collecten als hier bedoeld noch onder art. 13, noch onder het Kon. Besl. van 182;') en is mitsdien het gemeentebestuur bevoegd zich de regeling daarvan aan te trekken.

Het onbevredigende van dezen rechtstoestand springt in het oog. Nog afgezien van de dubia waartoe art. 13 der Armenwet aanleiding geeft, is een scheiding tusschen collecten, die leniging van rampen beoogen en andere, ongemotiveerd. En een Koninklijk besluit, dat ieder naar welgevallen overtreden kan, moet óf afgeschaft óf van sanctie voorzien worden.

Of eenige collecte gehouden zal worden, moet in het algemeen aan de plaatselijke overheid worden overgelaten. Zij beslisse of liet doel, daarmede beoogd, van voldoend

') Art. 1 der wet vau 6 Maart 1818, Sthl. n°. 12, dat de straffen bepaalde op de overtreding vau algemeene maatregelen van (inwendig) bestuur, is gewijzigd gehandhaafd tot 1 September 1888 bij art. 21 der Invoeringswet. Deze termijn werd nog vijfmaal telkens voor een jaar verlengd, het laatst bij de wet van 10 Augustus 1892, StbL n°. 181 tot 1 September 1893.

Het K. B. van 1823 put het onderwerp: collecten tot leniging van rampen, uit. De plaatselijke en provinciale besturen kunnen dus geen andere aanvullingsvoorschriften maken dan ingevolge lid 5, d. w. z. tot voorkoming vau misbruik van „bij hen verleende autorisatiën". Wie geen vergunning vragen, kunnen zij niet treffen.

Sluiten