Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worde. Echter is het dan juist onmogelijk om met plaat selijke omstandigheden voldoende rekening te houden.

Intusschen zijn er gevallen denkbaar, waarin het openhaar belang zoo klaarblijkelijk bij eenige collecte is gemoeid, dat het niet aan plaatselijke bekrompenheid vrij mag staan een beroep op de liefdadigheid der ingezetenen onmogelijk te maken. Ik denk b.v. aan rampen als een overstrooming over een eenigszins uitgestrekt gebied, een groote epidemie enz. In zulk een geval verleene de Regeering zelve vergunning tot het inzamelen van gelden over het geheele land: het ontzaglijke werk om aan allo betrokken gemeentebesturen de vergunning te vragen (en eventueel geopperde bezwaren weg te ruimen !i wordt op die wijze aan een tot zulk een doel geconstitueerde commissie bespaard ').

Het moet het autoriseerend bestuur vrijstaan om aan liet verleenen der vergunning voorn-aarden te verbinden, b. v., dat aan hen, die met de inzameling zijn belast, niet meer dan een bepaalde som als vergoeding worde toegekend, ot' dat de inzameling door ingezetenen der gemeente geschiede. Dergelijken eisch in liet algemeen te stellen, schijnt niet gewenscht. Wanneer zij, die met de inzameling zijn belast, bij het gemeentebestuur als volkomen vertrouwbaar bekend staan, kan het weinig nut hebben te verlangen, dat slechts ingezetenen (die allicht de zaak die het geldt niet zoo goed zullen bepleiten als de be-

') Een voorbeeld van zulk een algemeene vergunning geeft reeds het K. B. van J6 November 1820 (bij Luttenberg), waarbij aan het hoofdbestuur van het fonds ter aanmoediging en ondersteuning van den gewapeuden dienst in de Nederlanden toegestaan wordt jaarlijks langs de huizeu van alle ingezetenen des Kijks, met uitzondering van hen die jaarlijks aan het fonds bijdragen, een collecte te houden, waarvan tijd en wijze door de sub-commissies met de plaatselijke besturen geregeld moeten worden.

Sluiten