Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dergelijk gezin aan één armbezoeker wordt opgedragen. Maar dan is ook eendrachtige samenwerking der verschillende instellingen noodzakelijk. ')

Dat hieraan nog heel wat ontbreekt, leert een blik op de antwoorden, die de colleges van Gedeputeerde Staten gaven op deze vragen: .Bestaat er samenwerking tusschen de burgerlijke en andere armenzorg? In welken vorm? Zijn pogingen daartoe aangewend? Waaraan is het mislukken dier pogingen te wijten ?"

Al wordt van bepaalden onwil van de zijde der kerkelijke en particuliere besturen om de noodige medewerking te verleenen slechts bij uitzondering gerept, van een bepaalde samenwerking. in dien zin dat men door onderlinge besprekingen of het verstrekken van inlichtingen elkander van hetgeen men zelf verricht op de hoogte houdt, is slechts in de kleine minderheid der gemeenten sprake.

Daar het intusschen gevaarlijk is om uit de verschillende, vaak in algemeene bewoordingen gestelde opgaven, algemeene gevolgtrekkingen te maken, heb ik aangaande een provincie, n.1. Zuid-Holland, een uitvoeriger onderzoek i" de ter provinciale griffie aanwezige bescheiden ingesteld. Daarbij bleek mij het volgende. In 1901 had in 11K gemeenten geenerlei samenwerking plaats (voor één gemeente wordt zelfs een weigering van inlichtingen vermeld), in _ gemeenten betaalden het burgerlijk en een kerkelijk bestuur tezamen het traktement van den armendokter; van 6 gemeenten wordt, hoewel geen bepaalde

') Zie het, opstel vau den heer g. H. Hintken iu het Tijdschrift voor Armenzorg enz. 1904, blz. 185.

Nummer V van de 11 vragen, die voor het eerst ten behoeve van het

;t>rr vrr* T aau dp *** met, v«,.

c jaaihjks te beantwoorden. (Zie Aruienverslag 1898, le ded, hl/. 2).

Sluiten