Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de verplichting van de gemeenschap om aan de be hoeftigen de noodige ondersteuning te verleenen.

Ik maak mij over de vraag niet warm. Hetzij men een zedelijk recht op onderstand erkent of niet, in elk geval, dat stemt ieder toe, is de maatschappij verplicht te zorgen dat niemand van honger behoeft om te komen. „De overheid drage zorg dat in den nood van de armen, die de vrije liefdadigheid niet of niet voldoende tegen gebrek kan beveiligen, door de openbare besturen worde voorzien." Aldus — bij volstrekte ontkenning van het recht op onderstand — de heer Hintzen ') en 's heeren Muller'b conclusie wijkt daarvan maar weinig af.

Het laat zich ook denken —- en ook in dat geval, evenals bij de erkenning van een recht op ondersteuning, zou de regeling van het domicilie van onderstand niet achterwege kunnen blijven — dat de wetgever aan de armbesturen in zekere, bepaald omschreven, gevallen do verplichting om onderstand te verleenen oplegde.

Zoo kwamen de kosten van de plaatsing en verzorging in de bedelaarsgestichten van veroordeelde bedelaars en landloopers volgens art. 6(i der Armenwet ten laste van de burgerlijke gemeente waar zij domicilie van onderstand hadden, totdat art. 7 van de wijzigingswet van 1870 deze kosten ten laste van het Rijk bracht.

Hier werd dus, tengevolge van omstandigheden, geheel buiten den wil van het gemeentebestuur, eene verplichting tot het dragen van verzorgingskosten aan de gemeente opgelegd. Evenzoo wat de kosten van verpleging van arme krankzinnigen betreft (art. 2H Armenwet).

') Praeadviezeu, blz. G2.

Sluiten