Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

don arm verzorger verlichten kan, maar ook de regelingvan de armenzorg noodzakelijk invloed heeft op de beoordeeling van de strafwaardigheid van liet bedelen. De Code Pënal stelde dan ook in art. 274 het bedelen zonder verzwarende omstandigheden alleen strafbaar wanneer het geschiedde „dans un lieu ponr lequel il existe un établissement public organisé afin d'obvier a la mendicité." Al komt een dergelijke „mits" in ons huidig strafrecht niet meer voor, het verband van beide leerstukken is er niet minder eng om, nu de Rijkswerkinrichting te Veenhuizen, als .^ra/kolonie bedoeld (plaatsing daarin is een straf', art. 9 Swb.), feitelijk een toevluchtsoord voor dakloozen is geworden, waarin velen, hetzij dan met graagte, hetzij door de omstandigheden gedwongen, spoedig na hun ontslag weer opgenomen trachten te worden.

Een korte schets van de geschiedenis der wetgeving op de bedelarij en landlooperij vinde hier allereerst een plaats.')

De bestraffing van de bedelarij en landlooperij werd hier te lande tot aan de invoering van het Wetboek van Strafrecht beheerscht door de artt. 2(>9—'282 van de Code Pénal. De belangrijkste van deze bepalingen werden dooide wet van 29 Juni 18f>4 Stbl. n". 102 .houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld", vervangen door de volgende bepaling, die tot 1880 bleef gelden:

„Die bedelende wordt gevonden in een plaats, voor

') Voor een meer volledig overzicht zij verwezen naar liet, praeadvies van Mr. A. A. de Pinto voor den Jnristendag van 1894 en naar do dissertatie van Mr. J. Bierens de Haan-, De Nederlandselie strafbepalingen tegen bedelarij en landlooperij (I treclit 189.)) blz. 12 v. v.

Sluiten