Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In deze wetgeving waren zeker elementen, die haar in enkele opzichten boven hetgeen wij thans hebben verkieslijk deden zijn. Geen burgerlijk armbestuurder kon in de verleiding komen 0111 door het onthouden van onderstand een ingezetene, die in zijn gemeente domicilie had, tot bedelarij te brengen. Vermindering van kosten zou dit voor de gemeente gewoonlijk niet hebben meegebracht.

Verder was aan den rechter onttrokken de beslissing over den duur van het verblijf in de werkinrichting. Op zichzelf zeker zeer rationeel. Steeds volgend op de eigenlijke straf, de gevangenis, kon de plaatsing in Veenhuizen geen ander doel hebben dan: verbetering, geschiktmaking voor de maatschappij. Hoe lang het verblijf daartoe moet duren kan de rechter onmogelijk van te voren met juistheid uitmaken, te minder daar, bij een gewoonlijk weinig tijdroovend vooronderzoek en een korte aanraking op de terechtzitting, het voor hem veelal niet doenlijk is zich over het karakter van den beklaagde een oordeel te vormen.

Het verleenen van ontslag was aan den Minister van Justitie opgedragen. Daaromtrent gaf liet Kon. Besluit van l!l Augustus 1859 titbl. 82 nadere voorschriften. Het ontslag kon alleen volgen:

a. op aanvraag van het gemeentebestuur, zoo daartegen geen gewichtige bedenkingen bestonden (vgl. ook art. 08 der Armenwet, vervallen in 1870);

l>. op verzoek van den verpleegde, als hij er eenigen tijd had doorgebracht, verschillend naar gelang hij voor de 1<", 2c of volgende maal was opgenomen en al of niet een uitgaanskas van /' 15. had vergaard.

Ontslag kon echter ook vroeger volgen, wanneer genoegzaam bleek dat de verpleegde dadelijk na zijn ontslag een voldoend middel van bestaan zou vinden.

Sluiten