Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zorging, overbrenging en terugbrenging van de wegens bedelarij en landlooperij veroordeelden en van hunne kinderen, die niet van de ouders gescheiden konden worden, ten laste van het Rijk.

Toch bleef — immers ter wille van art. 274 C. P. — ook nu de gelegenheid bestaan om op eigen verzoek in een der gestichten te worden opgenomen. ■) Maar de kosten van verpleging werden gebracht op /' 1:50.— per jaar en nu bovendien de gemeenten geen <geldelijk belang meer hadden om bedelarij door plaatsing in Veenhuizen te voorkomen, zal van deze bevoegdheid nog wel veel minder dan vóór 1870 gebruik zijn gemaakt.2)

Het stelsel van ons wetboek van strafrecht kan als bekend verondersteld worden. Het vereischte van de aanwezigheid van eene „inrigting tot voorkoming van bedelarij" verviel. De gelegenheid om vrijwillig op kosten van een gemeente in een Rijkswerkinrichting te worden geplaatst, werd evenmin bestendigd. Het is thans de rechter, die tegelijk met het uitspreken van de hoofdstraf (hechtenis) ook den duur der bijkomende straf, plaatsing in een Rijkswerkinrichting, bepaalt. Tot oplegging dezer bijstraf is de rechter nimmer verplicht. Het maximum daarvan bedraagt drie jaren.

Juist acht jaar was het nieuwe wetboek in werking,

') K. B. van 22 September 1870, Stbl. n°. 1 fit, dat., met intrekking van liet, aangehaalde K. B. van 19 Augustus 1859, SM. n°. 82, nieuwe bepalingen omtrent de verpleging vaststelde.

-) Statistieken ontbreken. Volgens den lieer de Brauw (Handd. 1809— 1870, blz. 1365) waren er vóór de wijzigingswet ongeveer 200 vrijwilligers te Veenhuizen en Ommerschaus.

12

Sluiten