Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liindloopers het maximum, n.1. 3 jaar te geven, onmiddellijk verloor zij den toeloop.

Hieruit schijnt reeds te volgen, dat niet de veelvuldigheid der bedelarij en landlooperij van invloed is op het aantal opzendingen in een arrondissement, maar dat omgekeerd de wijze waarop door eene Rechtbank gewoonlijk deze straf wordt toegepast beslissend is voor den grooten of minder grooten toevloed van bedelaars en landloopers naar haar ressort.

Persoonlijke getuigenissen komen dit bevestigen. „Wie er komen, hebben bijna zonder uitzondering zichzelf daarvoor aangegeven", zegt Dr. H. r. Offerhaus, sprekend o\ei \ eenhuizen, waai hij bijna .5 jaar predikant was ). Talrijk zijn de uitingen in dezen geest a). Wie gestraft worden, zijn voor liet meerendeel niet bedelaars en landloopers, d. w. z. zij, die daarin hun bestaan trachten te vinden. Het zijn candidaten voor Veenhuizen, die, na hun uitgaanskas verteerd te hebben daar hun hand uitsteken om een aalmoes, waar zij weten op de meest geschikte wijze weer naar de inrichting te zullen worden opgezonden.

Dat plaatsing aldaar voor deze allen niet is een straf

') Zie zijn artikel „Toevluchtsoorden en bewaarplaatsen" iu den Gids, 1901, dl. IV, blz. 521.

„Wie verlangen opgenomen te worden, melden zich zeiven aan als landloopers, of verzoeken aan- of iu tegenwoordigheid van de politie een eent en daardoor krijgen zij het recht van „er hij" te zijn; het overgroote gedeelte van de bevolking van Veeuhuizeu komt daar op die wijze". Aldus G. Emants in zijn mooi artikel „Veenhuizen" in de Vrasen des Tiids van 1901, II, hlz. 380. K J

„Een individu, tegen zijn wil als bedelaar of laudlooper gestraft, is een zeldzaamheid". Mr. C. Loosjes „Eeuige beschouwingen naar aanleiding van onze bedelarij- en landlooperijstatistiek", Tijdsehr. v.Strafr., dl. VIII, blz. 397.

Zie ook de dissertatie van Mr. Biekens de Haan, passim.

Sluiten