Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Krachtens de wet van 1853 heeft het college de bevoegdheid eenerzijds om het reglement van eene stichting te wijzigen, anderzijds om voor enkele gevallen aan de bestuurders afwijkingen van het bij het reglement bepaalde toe te staan.

Het is voor het tot stand komen eener reglementsherziening niet noodig, dat het bestuur der stichting dit aanvraagt. Is de aandacht der Commissioners door het bericht van een hunner inspecteurs, of op eenige andere wijze, op een leemte in een reglement gevestigd, dan stellen zij voorloopig een nieuw reglement vast, dat ter visie wordt gelegd of op andere wijze openbaar gemaakt en daarna met de daartegen ingekomen bezwaren aan het Parlement ter bekrachtiging wordt aangeboden ').

In de tweede plaats kan het College de bestuurders van een inrichting machtigen tot allerlei daden waarvoor liet reglement hun geen bevoegdheid geeft. De overheid vult hier in het belang der charity de macht der beheerders aan, waar die ontoereikend is, vaak ook, waar de stichter het tegenovergestelde heeft voorgeschreven. Blijkt het b.v., dat eenige bezitting van een charity met voordeel in huur zou kunnen worden gegeven, of dat verbouwingen of andere ingrijpende veranderingen aan eenig onroerend goed van de stichting in haar belang zijn, dan kunnen de Commissioners, ook waar het reglement het niet gedoogt, de bestuurders tot deze handelingen machtigen. Ook kunnen zij verlof geven tot het opnemen van gelden onder verband van de goederen der stichting, doch in dit geval moeten zij voor de aflossing van het geleende kapitaal binnen 30 jaren de noodige regelen stellen 2). Ook tot verkoop of ruil van onroerende goederen, afkoop van grondrenten en het aangaan van dadingen kan de Commissie liet bestuur machtigen.

Een bepaald verbod tot de bestuurders om deze handelingen te verrichten, vindt men in de wet niet. Zij schijnt uit te gaan van het denk-

') Artt. 54—00, wet van 1853. Art. 21, wet van 1853.

Sluiten