Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toegekend. Inderdaad is ook in art. 19 niets anders te lezen dan dat de consistories het toezicht („la police") uitoefenen over de vrome instellingen in hun ressort. Eene opdracht om zelve op liet gebied deiweldadigheid werkzaam te zijn, kan daarin niet worden gelezen. ')

Wat hierboven over de kerkgenootschappen is gezegd, geldt niet voor de z.g. congregaties, godsdienstige vereenigingen staande buiten het eigenlijke lichaam der Katholieke kerk. Het Concordaat geldt te haren opzichte niet. Sedert de reeds meermalen aangehaalde wet van 1 Juli 1901 behoeft elke congregatie voorafgaande autorisatie bij eene wet. die de „conditions de son fonctionnement" zal vaststellen, (art. 13). Ook de op het tijdstip van de afkondiging der wet bestaande congregaties behoeven dergelijke machtiging (art. 18). De wetgever zal er zich dus rekenschap van hebben te geven, of hij aan eenige congregatie het uitoefenen van armenzorg wil vergunnen. Dat dit tot dusver door enkele vereenigingen geschiedde, blijkt uit sommige bepalingen der wet, waarbij b.v. de bestemming geregeld wordt van goederen eener wegens strijd met de wet ontbonden congregatie, die haar voor liefdadige doeleinden waren geschonken, (art. 18).

Hoe, zoo zon men licht vragen, is de Raad van State ertoe gekomen, zich over de bevoegdheid van de kerkelijke lichamen op het gebied der armenzorg, uit te laten? De bedeeling toch is niet aan liooger toezicht onderworpen. Met de handelingen der kerkgenootschappen bemoeit de staat zich niet. Hoe komt het dan dat wij toch een reeks van uitspraken van den Raad van State ontmoeten ?

De verklaring ligt hierin, dat al deze lichamen voor het aannemen van (liften en legaten de vergunning der overheid behoeven.2)

') Tissier, Dous et logs n". 235.

s) Do golioele materie van de staatsbemoeiing inzake giften en legaten aan rechtspersonen is met groote uitvoerigheid en zeer systematisch behandeld door Tissier. in zijn reeds meermalen aangehaald artikel „Dons et legs" in Laferrière's Répertoire. Men zij er bij de raadpleging van dat stuk echter indachtig aan, dat, sinds Tissiek schreef, de wet, op de

17

Sluiten