Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De autoriteit, die de vergunning verleent, is niet altijd dezelfde geweest. Het streven naar decentralisatie heeft zich ook op dit gebied doen gelden. Terwijl vroeger als regel de autorisatie werd gegeven door het hoofd van den Staat, den Raad van State gehoord '), is volgens de wet van 4 Februari 1901 (loi sur la tutelle admiuistrative en raatière de dons et legs) de prefect van het departement waar de instelling gevestigd is in het algemeen tot het verleenen der machtiging aan vereenigingen en stichtingen bevoegd. Slechts wanneer het een gift van onroerende goederen geldt ter waarde van meer dan 3000 frcs. en verder in alle gevallen, waarin de familieden zich door de schenking benadeeld achten, wordt de vergunning verleend bij decreet van den President, den Raad van State gehoord (artt. 5 en 7)2).

Ten aanzien der kerkelijke instellingen handhaaft de wet van 1901 (art. 6) den bestaanden toestand. Giften of legaten aan deze instellingen moeten dus in alle gevallen worden geautoriseerd door den President, den Raad van State gehoord 3). Slechts kan de prefect de vergunning verleenen aan de „fabriques", wanneer de giften niet liooger zijn dan 1000 frs., tot geen verzet aanleiding geven en

nog slechts eenmaal voor, n.1. iu de ordonu. van 14 Januari 1831, waarbij liet aannemen van zulke giften aan de vrouwelijke congregaties verboden werd, (art. 4).

') Ordonnantie van 2 April 1817.

'-) Het decreet van 25 Maart 1852 (aangevuld 13 April 1861) „sur la décentralisation admiuistrative" droeg deze bevoegdheid reeds aan den Prefect op. Het is echter te dezen aanzien thans vervallen door de wet van 1901.

3) Voor de congregaties zal de bizondero wet, die voor haar tot stand koming vereischt wordt, de zaak wel regelen. Zoo niet, dan zou ik meenen, dat volgens de ordonnantie van 2 April 1817, die o. a. geldt voor „elke door de wet erkende godsdienstige vereeniging" de vergunning van den President, den Raad van State gehoord, moet worden aangevraagd. In art. 4 der wet van 24 Mei 1825 is deze bepaling ten aanzien van de vrouwelijke congregaties nog eens herhaald en daar de nieuwe wet op de congregaties (1 Juli 1901) van deze wet van 1825 slechts § 2, art. 2 afschaft, moet men aannemen dat zij art. 4 dierzeli'de wet intact heeft willen laten.

Sluiten