Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehuwde uit, vermoedelijk uitgaande van het denkbeeld, dat elke bevoorrechting: der ongetrouwde moeder het aantal onwettige kinderen doet stijgen. Ik vind hierin een bewijs dat men op den verkeerden weg is: verkeert een gezin in nood, hetzij dan door de verplegingskosten van zuigelingen, of door andere noodzakelijke uitgaven, dan verdient het geholpen te worden, doch om zijn armoede, niet omdat er een zuigeling is. Slechts in een land, waarin men tot eiken prijs vermeerdering van bevolking wenscht, laat zich dergelijke onderstand verdedigen.

Bij de genoemde drie categorieën (waarbij dan als vierde nog de „enfants secourus temporairement" te noemen zouden zijn), wordt eene nieuwe soort gevoegd door de wet van 24 Juli 1889, „sur la protection des enfants maltraités ou moralement abandonnés." Deze wet handelt voornamelijk over de ontzetting uit de ouderlijke macht. Art. 25 bepaalt nu echter, dat de conseil-général deze kinderen ten opzichte der kosten met (le armlastige gelijk kan stellen. In dat geval geeft de Staat 1/- van de kosten en zijn de gemeenten verplicht ook haar aandeel bij te dragen.

Ten opzichte van de verdeeling der kosten is het decreet van 1811 volledig vervangen. Aanvankelijk was aan sommige liospices (niet meer dan één per arrondissement) liet opnemen van arme kinderen opgedragen. De kosten kwamen, behoudens liet Rijkssubsidie en eenige toevallige baten, geheel ten laste van deze gestichten. Hoewel vele daarvan zeer rijk waren, bestond er geen enkele waarborg, dat steeds voldoende in de behoefte aan onderstand zou kunnen worden voorzien. Bovendien stond tegenover den zwaren druk op sommige hospices, dat andere te ruime inkomsten voor liet doel waarvoor zij waren ingesteld bezaten. ')

Aan beide bezwaren kwam de wet van 5 Mei 1869 „relative

') Zie deze bezwaren uiteengezet in de toelichting tot- liet, ontwerp, dat, vrij ingrijpend gewijzigd, wet, werd (u°. 83 van de gedrukte stukken van liet. Corps iégislatif, 1869).

Sluiten