Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder deze mits, dat liet delict plaats vond „dans un lieu pour lequel il exist(ait) un établissement public organisé afin d'obvier k la raendicité."

Voor een deugdelijke bestrijding der bedelarij was dus overal oprichting van zulke „établissements" noodig. Dit regelde liet decreet van 5 Juli 1808, „relatif k 1'extirpation de la mendicité" ').

Elk departement moest bezitten een „dépot de mendicité". Binnen twee weken na de oprichting van zulk een dépot moest de prefect bekend maken, dat alle bedelaars, die geen middel van bestaan hadden, gehouden waren zich daarheen te begeven. Dit besluit moest gedurende drie opeenvolgende Zondagen in iedere gemeente worden afgekondigd en daarna zou ieder die in het departement bedelende gevonden werd naar het dépöt worden gebracht. Ook zij, die wegens bedelarij veroordeeld werden, zouden na hun straftijd in een dépot worden geplaatst. Voor de oprichting van zulke dépots hebben veelal de departementen zich gecombineerd.

I it het bovenstaande blijkt reeds het tweeslachtige dezer inrichtingen. Voor de ontslagen gevangenen zijn zij als verbeterhuizen te beschouwen; doch kunnen zij dit voor hen, die zich vrijwillig aanmelden, altijd zijn?

Volgens het decreet van 22 December 1808, waarbij voor het departement van de Seine een dépót de mendicité werd opgericht en dat voor de regeling der andere dépots tot model heeft gestrekt, wordt bepaald, dat zij, die eenmaal daarin zijn opgenomen er in blijven tot zij zich bekwaam hebben gemaakt om door werken hun brood te verdienen en tenminste één jaar. Wie zich dus in den winter, uit gebrek aan werk, aan het dépot heeft moeten aanmelden, blijft daarin tenminste tot den volgenden winter, waardoor de zomertijd, waarin hij wellicht zijn gezin zou kunnen onderhouden, verloren is gegaan.

De kosten worden gedragen door Rijk, departement en gemeente. Voor de oprichting van het dépót in liet departement der Seine

') Dk Watteville, 1, lil/.. 143.

Sluiten