Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt uiteen te zetten en de beteekenis van de telkens in den loop van dit werk gebruikte termen te bepalen.

In elke plantencel komen een bepaald aantal eigenschappen voor, waarvan de kenmerken, die haar karakteriseeren, de zichtbare uiting zijn; in een cel van een hoogere plant uiten lang niet alle eigenschappen haar kenmerken: het eene orgaan verricht een andere functie [dan het andere en verschilt er in vorm, in kleur, in bouw mede; wélke eigenschappen haar kenmerk zullen uiten, wordt door buiten de cel liggende factoren bepaald. Deze kunnen wij onderscheiden in inwendige factoren, die de invloeden omvatten welke de cellen van het plantenlichaam onderling op elkaar uitoefenen, en uitwendige, waartoe wij dan rekenen buiten de plant bestaande invloeden als licht, temperatuur en vochtigheidstoestand der omgeving.

Wij kunnen de factoren nog op een andere wijze verdeelen, n.1. een onderscheid maken tusschen prikkels en voedingsvoorwaarden. De eerste zijn die invloeden, wier uitwerking veel grooter is dan de aangewende kracht; terwijl tot de tweede groep al de factoren behooren, die, als eigenlijke oorzaken der voedingsprocessen, de ontwikkeling der plant mogelijk maken; daarbij geven wij dan aan den term voedingsprocessen de ruimste beteekenis en rekenen er al de werkingen toe, waarop de ontwikkeling der plant berust, dus b.v. zoowel de koolzuurontleding onder invloed van 't licht als de transpiratie, verband houdend met den vochtigheidstoestand der omgeving.

Eenzelfde uitwendige factor kan als prikkel invloed

Sluiten