Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kruising gebruikte plant, waarin de betreffende eigenschap latent was; het kenmerk dat aan de latentie beantwoordt wordt recessief genoemd; in verdere generaties, uit het zaad van planten met het recessieve kermerk verkregen, verschijnt het domineerende kenmerk nooit meer. In 75 pCt. individuen der tweede bastaardgeneratie komt het domineerende kenmerk te voorschijn, van deze is V3 wat het domineerende kenmerk betreft, volkomen constant en komt dus met de 25 pCt. met 't recessieve overeen; 50 pCt. splitst zich bij verder uitzaaiing weer op dezelfde wijze als de eerste bastaardgeneratie. De wet is door Mendel ondekt; het type der kruising wordt naar hem genoemd.

De vegetatieve variabiliteit is in beide groepen van bastaarden met die der zaailingen in overeenstemming. Bij Mendel kruisingen verschillen knopvariatie en oorspronkelijke plant op dezelfde manier als de individuen der latere zaailinggeneraties en ontbreken dus overgangen in ontwikkelingsgraad van het kenmerk. Bij unisexueele kunnen echte knopvariaties geheel of gedeeltelijk tot het type van een der ouders teruggaan; ook kan een zuivere partiëele variabiliteit tengevolge der kruising optreden. Voorbeelden van deze laatste wil ik hier als uitgangspunt kiezen om daarmede tevens meer in 't algemeen het verschil tusschen echte knopvariatie en sprongsgewijze verschillen in kenmerken, direct met in- en uitwendige voedingsvoorwaarden en prikkels verband houdend, duidelijk te maken.

Sluiten