Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI. Bonte planten.

§ i. Partiëele variabiliteit.

Bij bonte planten hebben wij weer met een partieel sterk variabel kenmerk te doen; en niet alleen partiëele variaties, ook andere, door uitwendige invloeden veroorzaakte afwijkingen kunnen hier den schijn van knopvariaties aannemen '). Parasieten verwoesten soms het bladgroen en doen lichte plekken optreden; de bodemgesteldheid heeft soms gele verkleuring der bladen tengevolge; de noodzakelijkheid van licht voor de chlorophylvorming is voldoende bekend. Eenige soorten eindelijk zijn gekenmerkt door witte lijnen of vlekken op de bladen, die door sterk ontwikkeld chlorophylvrij bastweefsel of door ruime lucht holten onder den opperhuid veroorzaakt worden.2)

') Algemeene litteratuur over bonte planten:

Morren, L'hérédité de la panachure, Buil. Acad. Roy. d. Belgique, 2me Sér. T. XIX, p. 225.

Beyerinck, Chlorella variegata, Ree. d. Trav. botan. Neerland. T. I. (1904) beide voornl. over de erfelijkheid van de panachuur. Verder:

Zimmermann, Ueber die Chromatophoren in panachirten Blattern, Beitr. z. Morphol. u. Physiol. d. Pflanzenzelle. II (1891) p. 81;

Timpe, Beitrage zur Kenntniss der Panachirung (1900);

Rodriguez, Les feuilles panachées, Mém. Herb. BoissIER No. 17 (1900);

Van de Velde en De Bois, Anatomie en Physiologie van bonte bladeren, Handel. Vde Vlaamsche Natuur- en Geneesk. Congres (1901).

*) Zie bv. Ai.ice Rodriguez, Les feuilles panachées, Mém. Herbier Boissier No. 17, (1900) p. 11.

Sluiten