Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog uit de varieteiten, die ieder jaar slechts aan takken van het tweede lot het kenmerk vertoonen; misschien zijn daarbij ook uitwendige invloeden in 't spel. Zoo dragen eenige varieteiten van den eik — waaronder Quercus pedunculata var. argenteopicta wel de bekendste is — alleen aan 't St. Janslot bonte bladen '); bepaalde invloeden, als een parasitaire prikkel of sterke snoei, kunnen het kenmerk echter reeds in het eerste lot, dat normaal groenbladig is, te voorschijn brengen. 2) Daartegenover staat dan een geval, een plant van Ulmus scabra var. viminalis betreffend, die op het voorjaarslot bladen droeg, welke tot in 't najaar geel gemarmerd bleven, terwijl op het zomerlot alleen groene bladen voorkwamen 3). In eenige bonte varieteiten zijn de bladen alleen, wanneer zij jong zijn, geel gekleurd; zulke varieteiten zijn b.v. van de gewone heide en van eenige coniferen bekend; terwijl omgekeerd Fraxinus acuminata var. aucubaefolia pas een paar weken na het ontluiken op de eerst groene bladen gele vlekken vertoont 4).

De invloed van uitwendige factoren is voor eenige gevallen bestudeerd en blijkt verder uit talrijke losse waarnemingen. Gunstige voedingsvoorwaarden, vooral sterk licht, voedselrijke bodem, cultuur onder glas, bevorderen de ontwikkeling van het kenmerk. De talrijke waarnemingen, waarin bij bonte planten na overplanting groene bladen gevonden werden, zullen wel

l) Beissner, Mitt. Deut. Dendr. Ges. 1895 p. 43; Dihpel, Handb. d. Laubholz k. II p. 63.

») Vgl. von Schwerin, Mitt. Deut. Dendr. Ges. 1896, p. 39.

*) Timpe, Beitrage zur Kenntniss der Panachirung p. 7.

*) Gard. Chron. 1867, p. 652.

Sluiten