Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdzakelijk op fluctueerend verloopen onder invloed van ongunstige factoren berusten; onmogelijk is het echter niet, dat de ongunstige factor indirect werkte en den doorslag gaf voor een knopvariatie; dit punt zal ik later nog nader bespreken.

Parasieten kunnen als de prikkel optreden, waardoor het bontheidskenmerk te voorschijn wordt gebracht. Voorbeelden daarvan zijn de wit en groen gestreepte gallen, die Cynips collari bij Ouercus pedunculata var. argenteopicta op de groene bladen van het voorjaarslot vormt, verder het geval '), waarin planten van Eupatorium cannabinum, die hoogstwaarschijnlijk tot een bont tusschenras behoorden, boven stengelgallen bont waren, er onder volkomen groen.

§ 2. Erfelijkheid door zaad.

De erfelijkheid door zaad van de variegata-eigenschap beantwoordt aan de wetten der tusschenrasvariabiliteit, hoewel ook enkele bonte vormen, b.v. Barbarea vulgaris var. variegata, als volkomen zaadvast beschreven zijn.2) Uit de litteratuurgegevens blijkt verder, dat soms bij eenzelfde soort in erfelijkheid — en dan meestal ook in teekening — verschillende variegata-vormen voorkomen. Zelfs heeft men een direct verband gezocht tusschen de teekening en de erfelijkheid; wit of geel gezoomde varieteiten schijnen in 't algemeen constanter te zijn dan gestreepte,

>) Mut. th. II, p. 49 >•

') Beyerinck. Ree. d. Trav. Botan. Neerl. I (1904) p. 25.

Sluiten