Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bespreken: de afwijking bestaat daarin, dat de tak in plaats van met een vegetatiepunt, met een vegetatiekam groeit i). De partieële variabiliteit van het kenmerk is hier weer ruim. Volkomen gefascieerde planten zijn bijna niet bekend; in de jeugd bemerkt men nog slechts weinig van het kenmerk, pas later gaat de stengel zich verbreeden; gefascieerde stengels van kruidachtige planten vertoonen daardoor een naar onderen toe versmalden vorm. Ook kan in 't later leven het kenmerk verdwijnen en de plant daardoor schijnbaar tot de normale soort behooren, zooals we dat reeds van verloopen bonte planten zagen; wordt dan echter door sterken snoei de voedseltoevoer naar enkele takken vermeerderd, dan treden daar weer fasciaties op; aan deze omstandigheid zal het wel moeten worden toegeschreven, dat men fasciaties door sterken voedseltoevoer alleen heeft willen verklaren. Een enkel voorbeeld is 't volgende: een zaailing van Acer dasycarpum, die een paar jaar lang normaal geweest was, werd omgehakt; de takken, die toen aan den stronk opgroeiden, vertoonden het lasciatakenmerk2). Dit voorbeeld schijnt mij overeen te komen met een, aan een andere rubriek der monstrositeiten ontleend: bij Dipsacus silvestris torsus, door klemdraai van den stengel gekenmerkt, vertoonen de zijstengels meestal de monstrositeit niet; door de hoofdstengels vroeg weg te snijden en zoo den voedseltoevoer naar

') A. Nf.stler, Untïrsuchungen über Fasciationen, Oesterreich. Botan. Zeitschr. 1894 p. 343.

-) Carrière, Prod. et fix. p. 43.

Sluiten