Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len op te merken. Volgens Linder en Picton werkt nl. het natriumsulfaat sterker rlan het chloornatrium; volgens Schulze is juist het omgekeerde het geval. Ook verliest volgens hen het nikkelsulfaat zijne plaats als sterkst werkend sulfaat; in zijne plaats treedt liet cadmiumsulfaat en zoo zijn er nog enkele kleinere afwijkingen.

De verschillen zouden misschien kunnen worden toegeschreven aan de fouten, die bij 't gebruiken der titreermethode worden gemaakt. Toch kan dit zeer waarschijnlijk niet, wat de afwijking gevonden bij het cadmiumsulfaat en cadmiumnitraat aangaat, die volgens Linder en Picton in werking gelijk staan met de zouten van andere divalente metalen, terwijl Prost hen plaatst onder die der trivalente. Wel opmerkelijk is liet nu, dat Linder en Picton daarentegen, voor het sublimaat en het chlooi'lood eene zeer sterke

O '

coaguleerende werking vonden.

Vat men nu alles te zamen, dan mag men aannemen, dat de grootte der coaguleerende werking van electrolyten op de sols van zwavelarsenicum, zwavelantimoon, zwavelkoper en zwavelcadmium in hoofdzaak wordt bepaald door de valentie van liet kation: deze werking is des te sterker naarmate de valentie hooger is.

Bij de tot nu beschreven onderzoekingen is aan de werking van zuren op sols weinig de aandacht geschonken. In 18it7 hebben Lottermoser en von Meyer ') evenwel eene reeks zuren betreffende hunne coaguleerende werking op eene kolloidale zilveroplossing onderzocht. Reeds in Hoofdstuk I is over dezen sol gesproken en zijn zijne eigenschappen medegedeeld. Wanneer bij dezen sol eene oplossing van een zuur of een zout wordt gebracht, dan wordt de koffiebruine kleur eerst groen en bij verdere toevoeging slaat het zilver neer.

Lottermoser en v. Meyer bepaalden hoeveel cc. van oplossingen van verschillende zuren, van eene bekende concentratie, voor het verkrijgen van den groenen tint en voor de afscheiding van het zilver vereischt werden. In hoofdstuk II pag. '23 is beschreven hoe bepaald werd of dit punt " ') 1. C. pag. I.

Sluiten