Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik waar bij de coagulatie cloor kopersulfaatoplossing van dezelfde verdunning (1 op *250')). Magnesiumsulfaatoplossing vertoonde ecne iets andere nuance. Nimmer evenwel werd eene witte opalisatie waargenomen.

Ze trad ook niet op bij de nitraten. Deze vertoonden steeds bij de coagulatie van L, denzelfden geelrooden tint. In sommige gevallen ontstond een scboone nuance: zoo nam ik bij 't vermengen van drie druppels sol met 4 cc. bariumnitraatoplossing van 1 op 12500 een tint waar, die ik t best kan vergelijken met die van bet vruclitvleesch van meloen.

Uit deze enkele waarnemingen valt af te leiden, dat het anion zeer waarschijnlijk een belangrijke rol speelt wat de tinten betreft, die bij de coagulatie van een zilversol optreden. De natuur van het kation blijkt hierop echter van weinig invloed te zijn.

b. Sol L, en sol L.,.

We kunnen de kleurverschijnselen bij deze twee sols waargenomen, te zamen behandelen.

Ze komen n.1. nagenoeg geheel overeen met die bij sol L waargenomen. Ook bij de coagulatie met chloriden trad bij deze twee sols eene witte opalisatie op, behalve, bij de coagulatie met het chloorlood. dit zout veroorzaakte n.1. weder een wijnrooden tint. Nitraten vertoonden weder een onderling overeenstemmenden geelrooden tint. I)e sultaten kenmerkten zich door het doen optreden van een roserooden tint, nagenoeg identisch met dien bij sol L, waargenomen.

c. de sols naar Muthmann M,, M„, Ms, M4.

Deze sols vertoonden bij de coagulatie onderling geheel overeenstemmende tinten, die evenwel van die der boven besproken sols iets verschilden. Chloriden, uitgezonderd het chloorlood, veroorzaakten eene witte opalisatie. Deze opalisatie was evenwel niet zoo zuiver wit. als die bij de sols naar Lea waargenomen. Het chloorlood gaf een rooden tint, die na eenigen tijd overging in een groenachtigen.

Dezen groenachtigen tint heb ik bij coagulatie van sols naar Lea nimmer waargenomen; bij die naar Muthmann trad

Sluiten