Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bodlander ') er opmerkzaam op, dat liet alleen de electrolyten zijn, die eene sterke praecipiteerende werking uitoefenen.

Later (1892) ontdekten Linder en Pieton a) het volgende merkwaardige feit. Brengt men in een sol twee electroden, die met de polen van eene batterij in verband staan, dan bewegen zich de deeltjes van liet kolloid.

Bij eenige sols vindt die beweging plaats in de richting van den stroom: dergelijke sols noemt men elcetro-positief; bij andere daarentegen bewegen de kolloiddeeltjes zich tegen de richting van den stroom in: men noemt deze sols electro-r.egatief.

Als voorbeeld van electro-positieve sols heeft men, mede volgens latere onderzoekingen van Spring *):

ijzeroxydsol. cadmiumoxydsol.

Als voorbeelden van electro-negatieve sols:

zilversol, goudsol, platinasol, zwavelsol, zwavelarsenicumsol, zwavelantimoonsol enz.

Na deze ontdekkingen trachtte men bij het verklaren der coaguleerende werking van electrolyten op sols deze met de ontdekking van Linder en l'icton in verband te brengen.

In de eerste plaats verdienen de onderzoekingen van Hardy 4) vermelding. Hoewel hij slechts een betrekkelijk klein aantal proeven heeft genomen en de coaguleerende werking der zouten niet nauwkeurig heeft onderzocht, zoo zijn de gevolgtrekkingen, die hij hieruit maakt, toch van groot gewicht.

Vorige onderzoekers hadden nl. uit hunne waarnemingen afgeleid, dat de grootte der coaguleerende werking in hoofdzaak door de valentie van het kation werd bepaald. Uit Hardy's proeven volgt nu echter, dat dit niet altijd het geval is. Is n.1. de sol electro-negatief, dan is het wel de valentie van het kation, die in hoofdzaak de coaguleerende werking beslist; is de sol evenwel electro-positief, dan beslist

1 j Neues Jahrb. 1'. Mineral. 1N93, II, 147.

») L.c.

3) Bulletin de 1'Acad. Royale d. Belgique. 1900, bl. 5Ü4.

*) L.c.

Sluiten