Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(?) ingesloten zijn. Inderdaad hebben Linder en Picton ) gevonden, dat het coaguleeren van een zwavelarsenicumsol, verkregen door middel van chloorbarium, barium bevatte; chloor werd er niet in gevonden. Zij gingen bij hunne proeven aldus te werk: 30 cc. van eenen zwavelarsenicumsol, bevattende ongeveer 1 gram As2Sa, werden na verdunning tot op 100 cc. met 10 cc. BaCl, oplossing gecoaguleerd. Vervolgens werd het totaal volume op 250 cc. gebracht. In 100 cc. der" boven het coagulum staande vloeistof werd gevonden: Barium 0,02422 gr. chloor 0,01380 gr.

Daarentegen bevatten 100 cc. eener chloorbarium-oplossing uit 10 cc. der oorspronkelijke, verkregen door verdunning tot op 250 cc.:

l'arium 0,002663 gr. en chloor 0,0138 gr.

Ken deel van het barium was dus in het coagulum overgegaan, maar van het chloor was daarin geen spoor aanwezig. Uitwasschen met koud of heet water was niet in staat het barium te verdrijven. Wel gelukte het met eene zoutoplossing bijv. met CaCl2oplossing. Daarbij evenwel werd het barium vervangen door calcium. Omgekeerd kon weer het calcium door barium worden vervangen, door behandeling met eene bariumzoutoplossing.

Dit verschijnsel heeft dus eenige overeenkomst met eene

massawerking.

Whitney en Ober 2) hebben onlangs dit verschijnsel nauwkeuriger onderzocht. Zij vonden dat bij eene nagenoeg 1 /„ zwavelarsenicumsol, de hoeveelheid barium in het zwavelarsenicumneerslag na coagulatie met chloorbarium aanwezig, onafhankelijk was van de hoeveelheid zoutoplossing (die steeds in overmaat toegevoegd werd). Met de hoeveelheid

kolloid was ze evenwel evenredig.

De van den neerslag afgefiltreerde vloeistof reageerde duidelijk zuur. De werking van het kolloid komt dus neer op eene hydrolyse: de base wordt geabsorbeerd en het zuur

blijft in de vloeistof achter.

Een zeer eigenaardig verschijnsel is door Whitney en

') Journ. of the Chem. Soc. Vol. 67. (1895), bl. 64.

2) Zeit-schr. f. Chcra. XXXIX. bl. 624—634.

Sluiten