Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar Spring's opvatting dezelfde is als die van Bredig, behoeft deze niet verder besproken te worden.

Freundlich heeft ook eene hypothese uitgedacht om de werking der valentie te verklaren; deze hypothese is reeds besproken bij de behandeling zijner theorie.

In 1899 heeft ook Wetham ') eene theorie opgesteld, die het verschil in werking tusschen mono- di- en trivalente ionen moest verklaren.

Hij neemt aan, dat om de vereeniging van een aantal kolloiddeeltjes tot een complex groot genoeg om te bezinken, de aanwezigheid van eene bepaalde electrische lading in de nabijheid van een bepaald punt noodzakelijk is.

De lading, die (in monovalente ionen te zamen bezitten is klaarblijkelijk gelijk aan die van 3n divalente en aan die van 2n trivalente ionen Om dus dezelfde werking teweeg te brengen moeten On mono- 3n di- of 2n trivalente ionen zich rondom een zeker punt bevinden.

Noemen wij C de concentratie der ionen dan zal de kans, dat m dezer ionen op de bepaalde wijze samentreffen voorgesteld kunnen worden door (Ac)m, waarin A eene constante is.

Denken we nu 3 oplossingen, waarvan de eene monovalente

ionen bevat, de tweede divalente en de derde trivalente. Zij de concentratie van de monovalente c,, die der divalente c„ die der trivalente e3; dan zal de kans, dat (in ionen op bepaalde wijze in de eerste vloeistof samentreiten voorgesteld kunnen worden door (Ac,)6"; de kans, dat in de tweede vloeistof 3n ionen op die wijze samentretten, zijn (Ac5)j en voor de derde vloeistof vindt men dus voor de kans voor het samentreffen van 2n trivalente ionen (Ac,)2n. Zat de coaguleerende werking dezer drie oplossingen dezeltde zijn, dan moet

(AcJ6n = (Ac,)3" = (Ac,)" = B.

1

Stellen we ± = x dan vinden we:

B6n

1 1 1 1

— : — : — = 1 : x : x .

c, Cj c,

•) Philos. Magaz. Nov. 1899.

Sluiten