Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er heerschte, uit den weg was geruimd, ingetrokken. Is nu, met het oog op deze aanvulling van onze codificatie, eene bespreking van de absolute bevoegdheid van de politie nog gerechtvaardigd? Oppervlakkig zou men misschien kunnen meenen van niet; immers de onzekerheid, die er heerschte, is daardoor opgehouden; doch neemt men in aanmerking de zeer uiteenloopende meeningen, die omtrent de bevoegdheid der politie naar aanleiding van de postenorder zijn verkondigd; voorts de uiteenloopende opvattingen, die in de litteratuur worden aangetroffen, en eindelijk het oordeel van het Weekblad van het Recht1), volgens hetwelk de onzekerheid, waarvan wij spraken, zelfs bedenkelijk is, dan kan niet anders gezegd worden, dan dat een hernieuwd onderzoek naar de bevoegdheid van de politie volgens Nederlandsch recht alleszins gerechtvaardigd is. Naar Nederland sch recht, niet naar Pruisisch ot' Duitsch recht. Het overvloedig gebruik, dat hier te lande van de Duitsche litteratuur gemaakt wordt, is oorzaak, dat ten onzent in zake politiebevoegdheid in de litteratuur opvattingen worden verkondigd, meer Pruisisch dan Nederlandsch. Op deze omstandigheid werd met nadruk gewezen door Mr. R. V. Bakker in zijn proefschrift, „de bevoegdheid der politie in het Nederlandsche recht"2), hetwelk verdedigd werd aan de Leidsche Hoogeschool tijdens het schrijven van ons proefschrift.

1) £ïos. 7842, 7843.

2) Leiden 1904. — Men zie ook het opstel „Onbeschreven politierecht?" van Mr. J. van Geleik Vitringa in het Rechtsgeleerd Magazijn 1905, bl. 1 , hetwelk ons in handen kwam bij het ter perse gaan van ons proefschrift.

Sluiten