Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de regeling der rechtsorde, waaronder echter alleen viel de regeling van het privaat-, proces- en strafrecht1). Alle overige staatsbemoeiingen bleven aan den vorst opgedragen; de politie ook. Op het gebied van deze blijft liet absolutisme van den vorst bestaan, en met zijn absolutisme dat van het politiepersoneel, van de ambtenaren namens den vorst met de politie belast; deze „schalten und walten" vrij, zoolang hunne bemoeiingen zich maar bepalen tot de afwending van gevaren, die het publiek of het individu mochten bedreigen.

Zoo was het dan in Duitschland en voornamelijk in Pruisen gesteld met het begrip politie en met de bevoegdheden ten behoeve van de politie, toen in 1813 ons land zijne vrijheid herkreeg. Zagen wij, dat bij onze buren zich de politie gedeeld had in een veiligheids- en welvaartspolitie, om, wat de laatste betreft, in „Pflege" over te gaan; in onze wetgeving en litteratuur van het begin der voorgaande eeuw valt van een dergelijke kerndeeling nog niets te bespeuren. Slaan wij toch de Grondwetten van 1814 en 1815 open, de eerste op art. 88, de tweede op art. 146 (zie ook art. 2 Wet 6 Maart 1818, Stbl. n°. 12), en vergelijken wij den Nederlandschen tekst van het tweede artikel met den correspondeerenden Franschen tekst, dan zien wij, dat in den laatste voor politie gebruikt wordt de uitdrukking „administration interne". Onder die „administration interne"2) vielen niet defensie en justitie (zaken

*) Vgl* § 1. A. L. R. Einlcitung, waarin men eon niet heel duidelijke bepaling in dien geest kan vinden. (Vgl. Bornhar, t. a p I bl 484.)

2) Zie ook art. 1 K. B. 1 Maart 1881, nn 53, Bijvoegsel tot het Stbl.

Sluiten