Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het moeilijk te zeggen, wat men hier met politie en met grondwettelijke bevoegdheden ten opzichte van de politie 0]) het oog heeft gehad.

In de artt. 10 en 22 van de wet van 23 Mei 1899, Stbl. no. 128, houdende bepalingen ter uitvoering van art. 187 der Grondwet, wordt gesproken van politieverordeningen. Met Mr. R. V. Bakker zullen wij onder politieverordening zoodanige verordening hebben te verstaan, waarbij aan de burgers verplichtingen worden opgelegd ').

Van politieverordeningen wordt, behalve in genoemde wet, ook nog gesproken in art. 158 der Provinciale Wet en in de wet van 20 Juli 1895, Stbl. no. 139 (art. 4 v.v.). Welke beteekenis hier te hechten aan de uitdrukking politieverordening? In de Prov. Wet schijnt het woord gebruikt te zijn om het pouvoir de commander, het overheidsrecht der waterschappen den ingezetenen verplichtingen te mogen opleggen, aan te duiden, terwijl men, wat de wet van 1895 aangaat, voorschriften van dwingend recht daaronder schijnt te moeten verstaan 2).

W anneer wij nu alle beteekenissen, waarin wij het woord politie aantroffen, met elkaar vergelijken, dan blijkt ons, dat het gebruik, door den Wetgever van dit woord gemaakt, alles behalve constant is geweest. En al moge dit nu voor een groot deel te verklaren zijn uit „het feit dat het woord politie niet altijd hetzelfde begrip vertegenwoordigd heeft 3), frappant is het dan nog in ieder geval, dat in eene wet, waarop men „den loop der tijden" moei-

x) t. a. p. bl. 62.

2) Vgl. Mr. Bakker, t. a. p. bl. 61.

Mr. Bakker, t. a. p. bl. 69.

Sluiten