Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«

\\ at van dit besluit geldt, geldt ook zoowel van de andere K.K. B.B., betreffende de Rijkspolitie, als van Ministerieele instructies, circulaires of hoe zij verder mogen heeten. Koning en Minister zijn slechts in zooverre autoriteit, als de wet hen tot autoriteit gemaakt heeft, d. w. z. Koning noch Minister kunnen vrijheid beperkende voorschriften voor de ingezetenen uitvaardigen, zoo niet de Wetgever hen daartoe machtigde. Dat de Koning en de Minister hun ondergeschikten bij instructie kunnen wijzen op bestaande bevoegdheden, is een ding buiten twijfel; doch tegenover het publiek heeft zoo'n instructie, van wien ook afkomstig, geen kracht van wettelijk voorschrift!), heeft tegen over den burger geen kracht van wet, en dat in tweederlei opzicht. Vooreerst kan zij hem tot geene praestatie, doen of laten, verplichten, waartoe hij niet reeds uit anderen hoofde (wet of wettelijk voorschrift) verplicht was —een ondergeschikte, de instructie in dit geval opvolgend, handelt onrechtmatig -). In de tweede plaats is eene handeling van een beambte verricht in strijd met zijn instructie, bijv. als hem voorgeschreven is (niet door den Wetgever, doch door zijn superieur) niet de hand te houden aan een wettelijk voorschrift zonder uitdrukkelijk bevel van zijn superieur en hij toch de burgers de verplichting oplegt conform dat voor-

rtt

*) Vgl. Prof. van Hamel, Inleiding I, bl. 242; Prof. Simons, Leerboek I, bl. 185.

2) Vgl. Prof. van Hamel, t. a. p., Tijdschrift voor Strafrecht I, bl. 375 v.v.

Mr. M. T. de Baat, Rebellie, diss. Leiden 1883, bl. 45 v.

Anders: Mr. H. de Ranitz, Rechtmatige uitoefening der ambtsbediening in art. 180 W. v. S., Tijdschrift voor Strafrecht IV; deze spreekt telkens van „in instructies gegeven bevoegdheden." Evenzoo Mr. D. L. de Ridder, De bevoegdheid der politie, bl. 37, 92 v.v., 103

Sluiten