Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrift, tegenover den burger geen onrecht, doch levert slechts op eene schennis van zijn dienstplicht. De instructies mogen verbindend zijn voor de ambtenaren, voor het publiek zijn zij dat niet. Deze conclusie moge nu voor de ambtenaren en speciaal voor het lagere personeel, dat handelend moet optreden, zeer onaangenaam zijn1), aan de superieuren te zorgen, dat zij de onaangenaamheden er van niet ondervinden.

Is het nu juist, dat het K. B. van 1851 slechts een ambtsinstructie is, waaruit geen rechten van de ambtenaren ten opzichte van de burgers voortvloeien, dan is de taakomschrijving, in art. ij_vervat, ook zouder eenige waarde voor, levert geen steun aan eene wetenschappelijke opvatting, die -voor ons recht onder politie verstaat een deel der staatszorg, hetwelk tot doel heeft gevarenafwending, en tevens daarin opgesloten ziet een zelfstandig gezag berustende bij de politie. Onze conclusie aan het einde \an Hoofdstuk I blijft dus intact.

Verder vloeit nog het volgende voort uit het voorgaande2): er is voor ons recht geen bepaling aan te wijzen, welke voor de burgers een algemeenen rechtsplicht medebrengt, zooals men dien voor het Pruisische recht wel aanneemt , „um nicht storend einzugreifen in die gute Ordnung des Gemeinwesens", n.1. ten opzichte van staat of maatschappij , tegenover de burgers bestaat de rechtsplicht geen

1) Vgl. Mr. H. de Ranitz, t. a. p. bl. 401 v.v en Mr. F. A. R. A. baron van Ittersum , Wederspannigheid — rechtmatige uitoefening der bediening, Tijdschrift voor Strafrecht III, bl. 126 v v.

2) Vergelijk noot 1, bl. 29.

Sluiten