Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onrechtmatige daden jegens hen te verrichten, hen niet wederrechtelijk aan te randen (art. 1401 B. W.; art. 41 W. v. S.).

§ 2. Bespreking van anderer meening.

Naar ons oordeel heeft men dus in het K. B. van 1851 niets anders te zien dan een besluit, waarin georganiseerd wordt een ambtenaarscorps; een besluit, dat de onderlinge verhouding van die ambtenaren regelt; in het gezag, in dat besluit genoemd, geen ander dan een ambtelijk gezag. Het gezag, dat de maatschappij ordent; de ordening van het maatschappelijk leven; het opleggen van verplichtingen aan de burgers; het beperken van de ingezetenen in hunne vrijheid van beschikking over persoon en goed, berust bij den Wetgever, Koning en Staten-Generaal, en dat, onverschillig met welk doel voor oogen die verplichtingen worden opgelegd, die vrijheidsbeperkingen zullen plaats grijpen; onverschillig, of het doel is de welvaart te bevorderen of gevaren af te wenden. Bij den Wetgever berust de competentie de burgers te bevelen: bij de uitvoerende macht, den Koning, de Regeering, de administratie, de politie, de handhaving van de door den Wetgever uitgevaardigde bevelen, de zorg voor de naleving van het door den Wetgever bevolene, voor zoover deze taak niet aan anderen is opgedragen.

Sinds het overheidsgezag, eertijds door den vorst uitgeoefend, op den Wetgever, Koning en Staten-Generaal, is overgegaan, of, zooals men zich ook wel uitdrukt, sinds men ten onzent het rechtsstaatsbeginsel is gaan toepas-

3

Sluiten