Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Integendeel, waar die wetten de verhouding betreffen van burger en administratie; waar deze den burgers eene praestatie opleggen, welke door de administratie van hen gevorderd kan worden, daar wordt de competentie der administratie uitgebreid. Geheel onjuist is dan ook de bewering, die men dikwijls in de administratiefrechtelijke litteratuur aantreft, als zou het administratief recht de burgers tegen de macht der administratie beschermen. Dergelijke redeneering moge juist geweest zijn in een periode van overgang van het overheidsgezag van den Koning op den Wetgever; nu de administratie geen zelfstandige macht meer tegenover de burgers heeft, mag de vraag gedaan worden, waartegen het administratief recht eigenlijk beschermen moet. Het doet dan ook veeleer het tegendeel: het kort de rechten en vrijheden der burgers in J).

De tijden zijn voorbij, waarin de natie slechts een „levenloos voorwerp" 2) is, waarin de individuen „nur Object" 8) zijn, waartegen de administratie de maatregelen uitvoert , die haar nuttig en noodig toeschijnen, en waarop zij datgene beproeft, wat haar wenschelijk voorkomt. Over dat nuttige, noodige, wenschelijke beslist de Wetgever. Niet de administratie, niet de politie, geen instructie van Koning, Minister van Justitie, directeur van politie of welken ambtenaar van politie ook, beslissen over dat wenschelijke, noodige, nuttige en schrijven dienovereenkomstig den bur-

!) Vgl. 1'rof. H. Krabbe, Administratieve Rechtspraak 1901, bl. 87 v.v.; Mr. J. B. Kan, De grenzen der administratieve rechtspraak, Rechtsgeleerd Magazijn 1897, bl. 823 v.v.

2) De Beaufort, Geschiedkundige Opstellen II, bl. 160.

3) Mayer, t. a. p. I, bl. 43, noot 9.

3*

Sluiten