Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet bij de wet, „en dit is toch, vooral in het Nederlandsche staatsrecht, een vereischte." Geheel in denzelfden geest liet zich ook de zooeven genoemde Commissie uit ').

Wat nu de omstandigheid aangaat, dat Thorbecke in het ministerie van 1851 zitting had, men moge de autoriteit van dezen nog zoo hoog aanslaan, hooger dan de wet gaat zij toch zeker niet. Welnu, in de eenigjjc wet, die iets omtrent de politie vermeldt, de Gemeentewet, waarvan Thorbecke het vaderschap toekomt, is geen spoor te vinden van een aan het uitvoerend gezag zelfstandig toekomend z.g. politiegezag: integendeel, de uitzondering van art. 187 (en art. 188 al. 2?) daargelaten, de politie moet steunen op verordeningen van den Raad, het college, waarin de representanten van het volk zitting hebben, zooals zij dat ook hebben in het wetgevend orgaan.

Zegt het beroep op de wordingsgeschiedenis van het K. B. van 1851 dus niets, evenmin zegt iets een beroep op de geschiedenis van art. 56 der tegenwoordige Grondwet, waaraan nu een enkel woord gewijd zal worden.

Wat leert ons die geschiedenis; wat heeft in 1887 bij de vaststelling van art. 56 plaats gegrepen? De Staatscommissie had voorgesteld in al. 2 van art. 56 niet alleen te spreken van straffen, doch ook van politiedwang. De Regeering nam in haar voorstellen dezen dwang niet op. In de Kamer werd toen een voorstel gedaan om de redactie der Staatscommissie te herstellen. Hiertegen werd door de Regeering geopponeerd. Het amendement werd ingetrokken en daarop het Regeerings voor stel aangenomen. Hier-

1) Zie haar verslag bl. 2 — 6.

Sluiten