Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit wordt nu de conclusie getrokken, dat het politiegezag van den Koning gehandhaafd werd 1).

Onafhankelijk van de vraag, of men wel iets kan handhaven wat sinds 29 Maart 1814 '2), in ieder geval sinds 1848 niet meer bestond, mag deze andere vraag gedaan worden: of de geschiedenis van art. 56 wel dergelijke conclusie rechtvaardigt. Zeker, de Regeering opponeerde tegen de opname van het amendement in de Grondwet. Doch niet uit kracht van deze oppositie is het amendement ingetrokken. Dit is geschied om andere redenen, en wel, omdat men de beteekenis van het woord politiedwang niet begreep. De spraakverwarring, die hiervan het gevolg was, noopte den voorsteller zijn amendement terug te nemen om eene onzuivere stemming te voorkomen. Op grond hiervan te willen besluiten: „het amendement werd ingetrokken, en het recht des Konings dus gehandhaafd", is eene^conclusie, die geen recht van bestaan heeft. En wanneer wij nog bovendien den Minister, die de niet opname van politiedwang in de Grondwet verdedigde, hooren verklaren, dat het niet wenschelijk is in de Grondwet van de politie te spreken als van eene afzonderlijke macht; dat men moet vasthouden aan het beginsel, dat zij, die de politie uitoefenen, onderworpen zijn aan de wet3), dan blijkt o.i. uit een en ander duidelijk, dat ook de geschiedenis van art. 56 niet in aanmerking kan komen tot staving van eene bewering, als zou den Koning een zelfstandig z.g. politiegezag toekomen.

1) Aldus w. v. h. R. 7842.

2) Laatstelijk H. R. 28 Dec. 1904, W. v. h. R. 8160.

3) ArntzeniüS, Handelingen over de herziening der Grondwet V, bl. 624.

Sluiten