Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is eigenaardig door iemand, ook de meening toegedaan, dat de ordening van het maatschappelijk leven moet geschieden bij de wet, door Koning en Staten-Generaal, de opvatting te zien verdedigen, dat der Regeering, der politie in dezen nog zelfstandige macht toekomt. Hoe dat kan samengaan is ons niet duidelijk. Zoo wordt door den schrijver van „Onze Constitutie , die van oordeel is, dat dt, Koning aan de medewerking van de Staten-Generaal is gebonden bij de vaststelling van het recht en de ordening van het maatschappelijk leven1), bij de bespreking \an art. 56 G.W. als geoorloofd beschouwd, dat de Koning, ook zonder bij de wet gemachtigd te zijn, voor de burgers bindende regels uitvaardigt, te handhaven door politiedwang. Alleen in een argumentum a contrario uit art. 56 zou o.i. die meening steun kunnen vinden. Doch niet alleen is „eene redeneering, die enkel op een argumentum a contrario berust, zwak, en (gaat) de regel qui dicit de uno negat de altero niet altijd op" 2), maar ook zou een dergelijke argumentatie uit de G.W. in de leer van Mr. Lohman, \olgens welke de Koning zijne macht niet uit de G.W. put 3), volstrekt niet passen. Moet het recht, de ordening \an het maatschappelijk leven vastgesteld en geregeld worden door Koning en Staten-Generaal, dan blijft er voor den Koning geene zelfstandigheid wat die onderwerpen aangaat over. Evenals in de rechtsgemeenschappen van kleiner omvang dan het Rijk, de Provincie en de Gemeente, niet bij de dagelijksche besturen, de uitvoerende machten, Gedepu-

!) Jhr. Mr. A. F. de Savorkin Lohman, Onze Constitutie bl. 251.

2) „ * 230'

a> „ n 37 en 44,

d) „ n * »

Sluiten